BOMEN STERVEN STAANDE, oftewel : EIGEN BOOM EERST!


Wanneer ik ’s morgens vroeg gewekt wordt door het geluid van kettingzagen, weet ik twee dingen zeker : 1) uitslapen is er vandaag niet bij, en 2) dit wordt geen goede dag voor mij. Want kettingzagen betekenen : bomen die sneuvelen. Grote bomen. In mijn omgeving. Waardoor mijn uitzicht nooit meer hetzelfde zal zijn.
Met tegenzin sta ik op en ga op onderzoek uit. Het is achteraan mijn tuin op het kerkhof van Sint-Job te doen. Misschien een boom die door de laatste storm werd beschadigd? Ik hoop nog. Misschien is het niet zo erg.
Ik herinner me nog levendig hoe de gemeente al die prachtige sparren, die enkele jaren terug de omheining van het kerkhof vormden, rooide. Eerst werden de bomen in twee gesneden, hup de bovenste top eraf. Dat ging lekker snel vooruit en het maakte het rooien onomkeerbaar. Daarna konden op het gemakske de onderkanten uitgedaan worden. Volgens de gemeente waren de bomen ziek. Niets van waar!!! Daarom moest het zo snel gaan natuurlijk. Een kind kon zien dat die bomen gezond waren. Het ging slechts om het winnen van een metertje grond. Money money, jazeker. Die bomen gaven het kerkhof wel een uniek intiem karakter. Weg ermee!..
Een paar uur en veel lawaai later kan ik mijn ogen niet geloven. Het is toch zeker niet waar!? Een voor een zie ik de takken van de grote dennen, die de grote dreef van het kerkhof vormen, naar beneden vallen. Tegen de middag steken tientallen kale staken hoog en koud in de lucht. Bomen van 70 jaar worden genadeloos afgemaakt. Mijn maag ligt in een knoop. Ik heb hartkloppingen. Gevoelens van machteloze woede. Ik wil die bomen zo graag redden. Levende wezens die al 70 jaar lang zonder een vlieg kwaad te doen (zelfs zonder zich ongewenst voort te planten) enkel schoonheid en rust staan uit te stralen, hebben die dan geen recht?
Een beetje groene statigheid op een kerkhof, een oude dreef… Misschien niet de mooiste, maar toch. Ze heeft iets, vind ik. Ze had iets, besef ik treurig.
“Thuis heb ik nog een ansichtkaart, waarop een kerk, een kar met paard, een slagerij J. van der Ven…” O jee, dat liedje. ‘Het dorp’ van Wim Sonneveld. Het spookt altijd door mijn hoofd wanneer ik afscheid moet nemen van een geliefd stukje nostalgie. Het komt opborrelen ergens uit de diepten van mijn onderbewustzijn, en ik weet dat ik het de eerste uren niet meer kwijtraak…
Ik ben oud genoeg om al veel bomendreven, veel dorpsgezichten te hebben zien verdwijnen. (O jee, ik word oud) Ik heb daar last mee. Ik ben behoudsgezind, ik weet het. Ik heb liever dat de dingen, dat mooie oude dingen niet veranderen.
“Verlangens zijn de oorzaak van het lijden.” Mijn innerlijke Boeddha steekt een belerend vingertje op. ‘Ik weet het’, bijt ik hem toe. ‘Laat me met rust.’
Waarom toch hebben oudere mensen zoveel moeite met veranderingen? Waarschijnlijk omdat, voor ons, veranderingen zelden verbeteringen zijn. Ik moet plots denken aan Marc Sleen, de vader van de stripheld Nero. In een interview vertelde die hoe erg hij het vond dat alle oude olifanten in Afrika doodgeschoten waren, gedood voor het ivoor. “Ik leef niet lang genoeg meer om de jonge olifanten te zien opgroeien, zei hij. Ik zal nooit in mijn leven meer een bul met meterslange slagtanden zien.” En ik besef : ik leef niet lang genoeg meer om een jonge boom oud en groot te zien worden. Dat duurt 70 jaar. Iedere oude boom die weg is, is dat voor mij voorgoed.
Ik kijk treurig hoe de grote dennen achteraan mijn tuin sneuvelen. Ongelooflijk hoe het landschap verandert door het wegdoen van een paar bomen! Niet alleen voor mij, maar voor iedereen die uitzicht heeft/had op die bomen. En dat zijn nogal wat mensen.
Sorry, jongens, dat ik jullie niet heb kunnen beschermen…
“En langs het tuinpad van m’n vader zag ik de hoge bomen staan…”
Om te ontsnappen aan het liedje in mijn hoofd besluit ik snel een paar foto’s op het kerkhof te gaan maken. Wat een akelig zicht. Het lijkt wel of er een bom gevallen is. Ik tel de ringen van een grote omgezaagde den. Jaja, 70 ringen, ik wist het wel. Ik volg de kaal omhoogstekende stammen tot aan het eind. Jezus op zijn kruisbeeld lijkt wel te bibberen zonder zijn groene beschutting.
Deze bomen zijn duidelijk niet ziek. Een beetje strijdlustig vraag ik de man die de takken afzaagt om uitleg. Heel vriendelijk legt die mij uit dat het beleid van de gemeente erin bestaat om alle ‘exoten’ in de gemeente te verwijderen en te vervangen door inlandse bomen. (“Jaja”, denk ik, ”een nieuwe truuk, om een meter grond te winnen”). Deze bomen, vervolgt hij, zijn zeker nog niet de laatste. Er zijn nog veel ongewenste vreemde bomen in de gemeente. Binnenkort beginnen ze aan het bos van de Zandbergen.
“Eigen boom eerst dus”, zeg ik. “Als je zegt : ‘eigen volk eerst’, dan ben je een stuk crapuul, maar als het om bomen gaat… dan is het eigen plant eerst he”. Ik glimlach. Hij lacht wat schaapachtig terug. “Tja…ja”.
Ik ga terug naar huis, en kijk nog eens achterom. Wat jammer nou dat ik geen foto heb van de dreef voordat ze gekapt werd. Wat ziet het kerkhof er nu… doods uit. Een lijntje leibomen zal daar niet snel iets aan veranderen, bedenk ik.
Ik neem mij voor om iedere grote boom die ik tegenkom in gedachten een knuffel te geven. Je weet immers nooit of hij er morgen nog staat.
“…het is voorbij, dit is al wat er bleef voor mij, een ansicht en herinneringen…”
Ik ben dat liedje goed beu. Het is genoeg. Ik wil een ander liedje, nu meteen!
Mijn onderbewustzijn grijnst. Een ander melodietje komt in mij op, ik neurie het mee. Zie je, zo moeilijk is dat niet. Ik ben nog altijd baas over mijn gedachten. Lalala, lalalala… Waar ken ik dat toch van? Ineens herinner ik mij de tekst : “’t Is nie meer wat ’t gewest is en ’t zal nooit nie meer wurre wad et was…”
O jee, weer zo’n liedje.


 


 

Marianne Van den Lemmer
1

Bijlage 1

Misschien bent u ook geïnteresseerd in ...